Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 25

Advies aan de Nederlandse Taalunie inzake de EEG-rechtelijke aspecten van een vaste boekenprijs
M. van Empel
1990
132 pagina's

IV. 'VOORDELEN VOOR GEBRUIKERS'

4.1.    Artikel 85, lid 3, EEG-verdrag, stelt als één van de vereisten voor het verlenen van een ontheffing, dat 'een billijk aandeel in de (economische) voordelen de gebruikers ten goede komt'.

4.2.    Aan dit vereiste lijkt ieder der hierboven onder III aangegeven mogelijkheden te voldoen. Kenmerk van de benadering, op grond waarvan tot het aangeven van die mogelijkheden is gekomen, is immers juist dat niet het voordeel van de aanbieders als uitgangspunt is genomen, maar veeleer het belang dat de 'gebruikers' van boeken hebben bij een fijnmazig distributiepatroon van boeken. Het verlagen van de 'barriers to entry' door middel van de eventuele aan de aanbieders toe te kennen voordelen is juist een afgeleide van de wens om aan dat belang van de 'gebruikers' tegemoet te komen.

4.3.    Naast deze meer algemene overweging kan ook meer concreet worden opgemerkt dat ieder van de drie genoemde benaderingen tot resultaat zou hebben dat de consument door de relatief geringe afstand tot de dichtstbijzijnde boekhandel zich effectief zelfstandig een beeld kan vormen van het aanbod aan boeken, terwijl de prijs voor deze 'be-reidstelling' - zij het volgens verschillende technieken - over het gehele aanbod wordt omgeslagen. Daarmee wordt dit prijselement in principe gedragen door de collectiviteit van het aanbod aan boeken. Dit is ook voor de consument de optimale oplossing, omdat daarmee consumenten enerzijds een fijnmazig gevarieerd aanbod krijgen, terwijl anderzijds de kosten door het boekenaanbod als geheel worden gedragen. Iedere consument kan dus gelijkelijk van de voordelen profiteren en draagt er gelijkelijk (d.w.z. naar evenredigheid) de kosten van.

4.4.    Ook als men aan de term 'billijk aandeel' de eis wil ontlenen dat de prijs voor de additionele prestatie minimaal moet zijn, lijkt ieder van de hier genoemde mogelijke benaderingen aan deze eis te kunnen voldoen. Het gaat immers om het vaststellen van de extra marge die nodig is ter compensatie van een lagere omloopsnelheid. In principe biedt ieder van de genoemde benaderingen de mogelijkheid deze extra marge (en daarmee de daaraan voor de consument verbonden extra kosten) te beperken tot hetgeen nodig is om de gewenste fijnmazigheid te

Nederlandse Taalunie