Advies aan de Nederlandse Taalunie inzake de EEG-rechtelijke aspecten van een vaste boekenprijs
M. van Empel
1990
132 pagina's
BIJLAGE: FEITEN EN ACHTERGRONDEN
Huidige situatie in Nederland en Vlaanderen
In Nederland geldt sinds 1923 een systeem van collectieve verticale prijsbinding met betrekking tot het handelsverkeer in boeken. Op grond van de Wet Economische Mededinging (WEM) werd bij besluit van 1 april 1964 het hanteren van dergelijke collectieve verticale prijsbindingen verboden. In 1967 is bij beschikking van de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels (VBBB) een ontheffing van dit verbod verleend op grond van het algemeen belang. In 1985 heeft de Nederlandse regering de Vereeniging opnieuw ontheffing verleend voor een periode van 15 jaar. Deze ontheffing zal ingaan op het moment van invoering van de voorgenomen wijzigingen in de WEM. De nieuwe ontheffingstermijn is nog niet ingegaan. Vooralsnog is de vaste prijs in Nederland dus tenminste tot het jaar 2005 gegarandeerd. De vaste boekenprijs is verbindend voor alle bedrijven die door de Vereeniging zijn erkend en geldt bovendien voor alle boeken van erkende uitgevers.
Sinds haar oprichting in 1929 zijn de leden van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen (VBVB) gehouden een vaste boekenprijs te voeren. In Vlaanderen bestaan geen verbodsbepalingen terzake van het opleggen van verticale prijsbindingen in de relatie tussen leveranciers en afnemers.
Het verbod op de Nederlands-Vlaamse overeenkomst
De VBBB en de VBVB sloten in 1949 een overeenkomst betreffende het handelsverkeer in boeken tussen Nederland en Vlaanderen. Deze overeenkomst bewerkstelligde, dat er de jure in het hele Nederlandse taalgebied een vaste boekenprijs gold voor alle in het taalgebied uitgegeven boeken. Zonder een uniform Vlaams-Nederlands stelsel is het niet mogelijk de nationale systemen afdoende te beschermen tegen inbreuken door prijsonderbiedingen vanuit het andere land.
In 1977 heeft de Europese Commissie een procedure ingeleid tegen bovengenoemde overeenkomst. De overeenkomst zou een inbreuk vormen op de mededingingsregels van het EEG-verdrag, in casu artikel 85, lid 1. De Europese Commissie verbood de overeenkomst bij beschikking van 25 november 1981. Het beroep tegen deze beschikking werd in 1984 door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verworpen.