Taalzorg: overheid en burger II
Redactie: G. Geerts, J. Renkema, H. Schenk [e.a.].
1990
172 pagina's
13 Discussie derde groep
De heer Daems: Ik wil de heer Haeseryn om een verduidelijking vragen. Hij ziet als tweede taak voor de overheden: "Taalpolitieke keuzes maken die rekening houden met en consequenties trekken uit de resultaten van bestaand en nog uit te voeren normenonderzoek".
Welke keuzes hebt u op het oog? Ik begrijp niet helemaal waarop dit slaat.
De heer Haeseryn: Ik heb in het begin gezegd dat men er uit taalpolitieke overwegingen van kan uitgaan, zoals de Taalunie doet, dat de Nederlandse taal een eenheid vormt en dat er één Nederlandse taalgemeenschap is. Dit neemt echter naar mijn mening niet weg dat op concrete punten nagegaan zal moeten worden hoe ver taalgebruikers daarin willen gaan. Volgens mij moeten er consequenties aan verbonden worden, wanneer uit onderzoek bij een heel breed publiek zou blijken dat men eigen varianten wil propageren. Men moet dan niet doen alsof er niets aan de hand is.
De heer De Vroomen: Ik wil iets vragen over de soorten normen. De heer Haeseryn spreekt in zijn inleiding over twee soorten normen, de sociale normen en de prescriptieve normen, waarvan de slaagkans onbekend is omdat ze (nog) geen gewone normen zijn. Dit onderscheid lijkt mij bruikbaar. Naderhand, namelijk in punt 3 van«uw conclusies, spreekt u echter over aanvaarde en gepropageerde normen; ik zie het verschil met het eerstgenoemde onderscheid niet goed. Het lijkt mij namelijk heel goed mogelijk om een prescriptieve norm te propageren. Een sociale norm kan echter ook gepropageerd worden. Wij hebben zoeven een uiteenzetting gehad over schoolmeesters, die bij uitstek geschikt zouden zijn om opvattingen over de taal en grammaticale opvattingen door te geven. Ik vraag mij dus af, hoeveel normen u eigenlijk hanteert, nu u al doende reeds van twee tot vier komt.
De heer Haeseryn: Ik weet niet of ik echt van twee tot vier normen kom, want in het begin heb ik aangegeven dat het gemaakte onderscheid tussen sociale normen (die zich als het ware van nature ontwikkelen) en prescriptieve normen niet absoluut is. De ene soort sluit de andere niet uit. Een voorschrift kan heel wel op den duur een echte sociale norm worden, waar iedereen zich uit zichzelf naar gaat richten. Om nog even op het verschil tussen Noord en Zuid terug te komen: uit onderzoek naar bepaalde volgorde-kwesties zou heel goed kunnen blijken dat de Vlamingen wel geneigd zijn bepaalde volgordes die in het Noorden gebruikelijk zijn, te gaan gebruiken. Als Vlamingen een dergelijke norm acceptabel oordelen, kan ik mij voorstellen dat