Taalzorg: overheid en burger II
Redactie: G. Geerts, J. Renkema, H. Schenk [e.a.].
1990
172 pagina's
Bibliografie
J. de Cort, Terminologieleer. Een inleiding. Antwerpen, 1985. P. Erasmus, Terminologische problemen binnen de bouwkunde. In: Nederlandstalige terminologie, (ed. A.J. Vervoorn), Eindhoven, 1989.
H. Felber, Terminology Manual, Paris, 1984.
W. Penninckx, Taalzorg in het buitenland: Frankrijk, Canada en Franstalig België. In: Taalzorg: overheid en burger I, 's-Gra-venhage, 1989.
L. van de Poll, Bibliografie van lijsten met Nederlandstalige vakterminologie, 's-Gravenhage, 1988.
A. Reformatskij, Wat is een term en wat is terminologie? In: Problemen van de terminologie, Moskou, 1961. SaNT, Werkplan 1988-1990, 's-Gravenhage, 1987. H. Sonneveld, Introduction. Terminology in the Netherlands. In: TermNet News nr.17-1987. Special issue on the Benelux countries.
E. Wüster, Internationale Sprachnormung in der Technik, Berlin, 1931.
5 Dr. Fr. Claes S.J.
Woordenboek en norm
De eerste vraag die we ons hier stellen, is of een woordenboek wel een instrument van taalzorg moet zijn. Hoeft men in een woordenboek niet alleen maar de woordenschat te inventariseren, het feitelijke taalgebruik te constateren, of moet men ook normen stellen, richtlijnen geven voor het goede gebruik, een waardeoordeel uitspreken over de (al of niet) opgenomen woordenschat?
5.1 Het gebruik en de norm
In feite is een woordenboek voor vele mensen de norm om te weten of een woord goed Nederlands is, ofwel of het "bestaat". Zo wordt het bijv. geraadpleegd als beslissend gezag bij een televisie- of een scrabblespel. Als het woord in het woordenboek staat, wordt het aangenomen als goed. Ook buiten de sfeer van het spel, bij het schrijven van teksten of bij het spreken, is het woordenboek voor vele mensen het gezag of de norm voor goed taalgebruik. Ze willen in een woordenboek vinden hoe het moet,