Belemmerende en bevorderende regelingen met betrekking tot het boekenverkeer in Nederland en België
G.W.J. Oosterholt
1990
136 pagina's
5. BESCHRIJVING INVENTARIS
5.1. Nederland
5.1.1. Creatie
In verreweg de meeste gevallen hebben regelingen op dit gebied betrekking op creatie van literair werk. Een belangrijke en omvangrijke uitzondering wordt gevormd door het complex van auteursrechtelijke regelingen, dat bovendien ook verstrekkende en directe repercussies heeft voor realisatie en beschikbaarheid van boeken. Niettemin zal het auteursrecht hieronder in zijn geheel worden behandeld; het auteursrechtelijk uitgangspunt van "de maker" rechtvaardigt deze keuze.
Het subsidiebeleid ten aanzien van "de letteren" in Nederland heeft in de afgelopen decennia talloze keren ter discussie gestaan. Vooral van de zijde van literaire auteurs wordt vaak gewezen op de naar hun inzicht stiefmoederlijke bedeling van de letteren. Met name de inkomenspositie van literaire schrijvers en vertalers wordt in dat verband als problematisch beschouwd. Het behoeft geen betoog dat de hoeveelheid voorzieningen en regelingen weinig zegt over de reële portee van dat geheel. De beschikbare middelen waren en zijn tamelijk beperkt, zeker wanneer men een vergelijking maakt met subsidiëring van andere takken van kunst. De relevante begrotingen vallen in het niet bij vele andere, zo is vaak betoogd. Wat er ook van dit soort vergelijkingen zij: het gemiddelde inkomen van literaire auteurs en vertalers steekt nogal schraal af tegenover dat van sommige verwante beroepsgroepen, zoals bijvoorbeeld componisten of podiumkunstenaars. De vraag of hierdoor de (literaire) informatiestroom van meet af aan wordt belemmerd, laat zich niet eenvoudig beantwoorden. Sommigen (waaronder met name uitgevers) achten overheidssteun om principiële redenen weinig begeerlijk. Daarbij wordt vooral aangevoerd dat de overheid zich geen kwalitatief oordeel mag aanmeten over literaire produkten. Voormeld standpunt, hoe respectabel en begrijpelijk ook, past echter wellicht minder in de realiteit van het Nederlandstalige gebied. Bovendien geldt in Nederland dat een belangrijk deel van de beslissingen tot subsidiëring niet door de overheid zelf wordt genomen. Vooral de werkelijkheid vaneen middelgroottaalgebied als het Nederlandse, gebiedt bijna een aantal correcties op dit soort principiële overwegingen aan te brengen. In dit verband moge verwezen worden naar de beleidsuitgangspunten van het Bestuur van het Fonds voor de Letteren, zoals geformuleerd in zijn