Gebruik, inhoud en effectiviteit van taal- en literatuurmethoden in Nederland en Vlaanderen
T. Janssen en B. Triesscheijn
1990
120 pagina's
Al met al zijn de klachten die naar voren zijn gebracht nogal ongelijksoortig. Er heeft ook geen weging plaatsgevonden naar het belang dat men aan de genoemde problemen hecht. Verder moet aangetekend worden dat de respondenten niet alleen maar klachten uiten over methoden. Over sommige aspecten waren de respondenten redelijk tevreden. Dit geldt bij voorbeeld voor de aansluiting op hetontwikkelingsniveau en de interessesfeer van leerlingen. Bovendien hadden de meeste klachten betrekkingopde veelgebruikte, traditionele methoden: erkend werd dat sommige recente (echter weinig gebruikte) methoden meer aan de wensen tegemoet komen.
4. EFFECTIVITEIT VAN TAAL- EN LITERATUURMETHODEN
In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan de laatste onderzoeksvraag: wat is er bekend omtrent de effectiviteit van methoden voor het onderwijs in het Nederlands?
In hoofdstuk 1 hebben we geconstateerd dat er weinig informatie beschikbaar is over de effecten van (het gebruik van) taalmethoden op het didactisch handelen van de leerkracht in de klas. Hetzelfde kan gezegd worden over de effecten van (het gebruik van) methoden op de leerprestaties van de leerlingen. Dit komt misschien omdat het nu eenmaal bijzonder lastig is om vast te stellen of een methode "werkt". De leerprestaties van de leerlingen kunnen beïnvloed worden door allerlei factoren: behalve kenmerken van de methode, kunnen kenmerken van de leerkrachten, van de leerlingen, van de implementatie (de wijze van gebruik van de methode in het onderwijs) en van de omgeving een rol spelen. Kortom: "de mogelijke beïnvloeding van leerprestaties door taalmethoden is ingebed in een complex netwerk van variabelen" (Van Batenburg 1988, 8). Voor een zuivere vergelijking van methoden zou steeds met alle mogelijke factoren rekening gehouden moeten worden en dit compliceert uiteraard het onderzoek.
Nu is er in Nederland wel enig effectonderzoek verricht, maar dit is meestal niet gericht op vergelijking van complete, bestaande taalmethoden. Veelal gaat het om beproeving van een specifiek onderdeeltje van een methode of om speciaal voor het onderzoek ontwikkeld materiaal voor een bepaald vakonderdeel. Zo is er behoorlijk wat onderzoek verricht naar de effectiviteit van (experimentele en bestaande) spellingmethoden (o.a.Assink 1983;Zuidema 1988; Van Oudenhoven 1989). Ook voor methoden voor aanvankelijk lezen is er in de loop er jaren