Taal en omroep
Redactie: L. Beheydt
1991
132 pagina's
2. Nederlands in Nederland en in Vlaanderen
De fonetische verschillen tussen het Noordnederlands in Nederland en het Zuidnederlands in België kunnen als volgt worden samengevat:
Noordnederlandse diftongering vs. Zuidnederlandse niet-diftongering van de variabele [e], zoals in zee, geven, ...;
Noordnederlandse diftongering vs. Zuidnederlandse niet-diftongering van de variabele [o], zoals in zo, lopen,...;
Noordnederlandse labiodentale uitspraak van de [w] vs. Zuidnederlandse bilabiale uitspraak van de [v];
Noordnederlandse gespannen uitspraak van de [X] vs. de Zuidnederlandse zachte [g], zoals in geven,...;
Noordnederlandse stemloze uitspraak van de variabele [s] in anlautpositie vs. de Zuidnederlandse stemhebbende uitspraak [z], zoals in zeven,...;
Noordnederlandse stemloze uitspraak van de variabele [f] in anlautpositie vs. de Zuidnederlandse stemhebbende uitspraak [v], zoals in vader,...;
Diverse realiseringen van de [r] waarbij de Noordnederlandse uitspraak wordt gekenmerkt door een verzwakte uitspraak van de [r] in auslautpositie waarbij de klank voor een consonant bijna geheel wegvalt, zoals bijvoorbeeld in voor mij.
Bij dit alles dient te worden opgemerkt dat deze verschillen best aanleiding kunnen geven tot variatie en dat ze niet altijd even polair tegenover elkaar staan (zie De Vriendt 1989 voor een verdere bespreking). Hoe dan ook: deze verschillen worden als significant erkend in de zin dat het voor een Nederlandstalige onmiddellijk duidelijk is of hij te doen heeft met een Noordnederlander of met een Vlaming.
Verder zijn deze verschillen ook interessant vanuit andere invalshoeken. Vanuit sociolinguïstische hoek kan worden aangestipt dat deze verschillen hun oorsprong lijken te vinden in het Hollands, d.w.z. de Hollandse dialecten en zich van daaruit over het Nederlandse taalgebied lijken te verspreiden. Vanuit de taalveranderingstheorie zijn de verschillen tussen Noord en Zuid nog maar eens de weerlegging van de opvatting van de Amerikaanse linguïst Bloomfield (1887-1949) die van oordeel was dat taalverandering meestal een vereenvoudiging van de uitspraak beoogt (zie Bloomfield 1933). Dit is een intellectueel bevredigende opvatting, maar de feiten spreken die gewoon tegen. Kan diftongering een vereenvoudiging worden genoemd? Of de harde [X] ? Kennelijk is vereenvoudiging onvoldoende als verklaring van taalverandering.