Taal en omroep
Redactie: L. Beheydt
1991
132 pagina's
Dat bij een dergelijke stand van zaken, de Nederlandse Taalunie eerst een voorbereidende gebiedsverkenning wilde doen alvorens echt beleid op te zetten, ligt voor de hand. Al in 1987, toen de samensteller van deze bundel een eerste vingeroefening op dat terrein in het licht had gegeven, kwam de vraag of er niet een 'probleemstellende notitie' kon worden gemaakt betreffende de omroeptaak Het aanvankelijk enthousiasme dat deze vraag had opgewekt, bekoelde snel toen bleek dat voor zo'n project dat tot doel had de omroeptaal enigszins te typeren, maar ook het probleem van de normativiteit en de attitude van kijkers en luisteraars te evalueren, nauwelijks medewerkers konden worden gevonden. Kennelijk vond men zo'n omvattende terreinverkenning prematuur en over het algemeen waagde men het (nog) niet zijn nek uit te steken. Pas na enkele moeizaam herschreven blauwdrukken kon in Noord en Zuid de nodige deskundigheid gemobiliseerd worden om een bundel samen te stellen rond een beperkt aantal relevant geachte thema's.
De uiteindelijke opzet van de bundel zou een staalkaart bieden van de problemen in verband met taalgebruik in de media. L. Beheydt zou openen met een terreinverkennend artikel. Jan Roelands zou vervolgens een overzicht bieden van de taaiprogramma's op de Nederlandse radio en tv, terwijl Beheydt hetzelfde zou doen voor de Vlaamse omroep. P.G.J. van Sterkenburg was bereid iets over de woordenschat van het journaal te schrijven en R. Appel over het taalgebruik van voetbalverslaggevers, als case-studies van omroeptaal. Over het normatieve taalbeleid van de Vlaamse Openbare Omroep zouden L. Van Poecke en H. van den Bulck een bijdrage leveren, terwijl E. de Bens de zogenaamde 'dallasificatie' bij de commerciële zender zou bekijken. Tenslotte werd P. Van de Craen bereid gevonden om de zo vaak aangeklaagde ontaarding van de uitspraak te verifiëren aan de hand van een studie over de evolutie van de uitspraak in de omroep. Die evenwichtige opzet werd echter jammerlijk uit balans gebracht door het plotselinge overlijden van Jan Roelands. Jarenlang was hij de enthousiaste maker van opeenvolgende taaiprogramma's voor de NOS. En ook dit project rond taal en omroep was hij genegen. De avond voor wij een laatste overleg zouden hebben over zijn bijdrage, is hij overleden. Niemand heeft het gewaagd zijn taak over te nemen. Dat is jammer. Nu ontbreekt daardoor het overzicht van de taaiprogramma' s op de Nederlandse radio en televisie.
Anderzijds hebben alle anderen zich wel aan de afspraak gehouden. Zij hebben wel hun nek uitgestoken. Naar hen gaat in de eerste plaats mijn dank. Zij hebben zich mijns inziens voorbeeldig van hun taak gekweten. Als samensteller durf ik de hoop uit te drukken dat deze bundel 'een knuppel in het mediahok' zal zijn. Dank zij de snelle en efficiënte tekstverwerkingskunst van mevr. N. Lenaerts heeft de bundel zijn keurige vormgeving gekregen. Ook dat is een speciaal woord van dank waard. Als dit mediastuk ook nog ruime weerklank krijgt in media-middens en daarbuiten en als het een stevige voorzet mocht blijken voor verder Taaluniewerk, is zijn doel bereikt.
Louvain-la-Neuve 1 oktober 1990
L. Beheydt