Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 36

Het niet-universitair onderwijs Nederlands in de grensgebieden (Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Frans-Vlaanderen)

1992
116 pagina's

6. Plenaire slotzitting

De voorzitter (de heer Willlemyns): Dames en heren, ik vind het leuk u allen weer te zien, nadat u een hele dag in werkgroepen hebt doorgebracht. Nu bestaat de gelegenheid om te horen wat in de diverse groepen is gezegd en daarvoor zal ik achtereenvolgens het woord geven aan de heren Sassen, Van den Toorn en Van Passel die respectievelijk over Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Frans-Vlaanderen zullen spreken.

De heer Sassen: In de eerste groep, van Nedersaksen dus, is over allerlei dingen gesproken, maar toch wel geloof ik met een zekere toespitsing op de vraag naar de status van het vak, van het schoolvak Nederlands in Nedersaksen en in verband daarmee de opleiding van de leraren.

Door de heer Bulhof is voorts speciaal de aandacht gevestigd op een verschil als het gaat om de status van het vak Nederlands tussen Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. In het kort gezegd komt het erop neer dat de opleiding tot leraar Nederlands, wat wij dan in Nederland noemen eerste-graads, in Noordrijn-Westfalen wel bestaat en in Nedersaksen niet of nog niet. Het zou op de weg liggen van het Ministerie in Hannover om daar een gewenste verandering in te brengen en het zou een taak van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie kunnen zijn om op basis van het Cultureel Akkoord met Duitsland daar verandering in te brengen. Dat was dus een, lijkt mij, nogal belangrijk aandachtspunt in de discussie in onze groep. Daarbij is ook ter sprake gekomen het zogenaamde Aurichse model, dat ook een rol speelt in die opleiding tot leraar en ook de wenselijkheid, of in elk geval de behoefte, die bestaat in Bremen om te komen, op zijn minst tot de eerste fase in de opleiding tot bevoegd leraar Nederlands.

Er is ook gewezen op bepaalde verschilpunten tussen Nederland en Duitsland als het gaat om de opleiding van leraren. Een belangrijk verschil is dat - ik weet niet precies hoe lang dat zo al is - in Duitsland geen pedagogische academies of, zoals wij dat vroeger noemden 'kweekscholen', meer bestaan en dat dus alle leraren, zij het op verschillende niveaus, opgeleid worden op de universiteit. Wat ook gezegd is, en dat houdt dan verband met de voordracht van onze derde spreker vanuit de volkshogeschool, dat er ook hier een verschil is tussen Nederland en Duitsland. Aan de Duitse volkshogescholen worden cursussen verzorgd uitsluitend door bevoegde mensen, althans dat is in verreweg de meerderheid van de gevallen zo. In Nederland is dat niet zo.

Dit zijn in het kort gezegd de voornaamste onderwerpen van de discussie in onze groep.

De heer Van den Toorn: Ook in onze groep heeft de positie van het Nederlands natuurlijk steeds centraal gestaan. Alleen ging het niet zozeer om de juridische status van het Nederlands - die is in Noordrijn-Westfalen veel beter dan in Nedersaksen -dan wel om wat ik zou willen noemen de ideële status van het Nederlands. In Duitsland heerst toch nog wel veel onbegrip ten aanzien van de verhouding van het Nederlands in Nederland en het Nederlands in Vlaanderen. Zo bestaat in Duitsland het idee nog steeds dat Nederlands eigenlijk een Duits dialect is. En het zou naar wij menen op de weg van de Nederlandse Taalunie kunnen liggen om door middel van gerichte voorlichting daar iets aan te veranderen, opdat men nu eindelijk eens zou begrijpen dat Vlaams ook een volwaardig Nederlands is en dat wij geen dialectsprekers zijn.

Voorts is er gesproken over de aandacht die het Nederlands zou moeten krijgen in het secundair onderwijs. Men heeft erop aangedrongen dat er in de commissie voor

Nederlandse Taalunie