Het niet-universitair onderwijs Nederlands in de grensgebieden (Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Frans-Vlaanderen)
1992
116 pagina's
3.2. Discussie werkgroep Nedersaksen
Noot van de redactie. In het verslag zijn de voor de conferentie van belang zijnde passages opgenomen.
De voorzitter (de heer Sassen): Ik geef even de volgorde van de onderwerpen aan: ten eerste de positie van het Nederlands in Nedersaksen, ten tweede de opleiding tot leraar en in de derde plaats het onderwijs Nederlands op de Nedersaksische volks-hogescholen. Zullen we dan beginnen met ons af te vragen of wij iets discutabels vinden in de stof die is aangedragen door de heer Hülsdünker? De heer Wolters: Ik zou hier een aanvullende opmerking willen maken. Ik ben leraar Engels, Latijn en Nederlands aan een 'Gymnasium'. Nederlands is er bijgekomen omdat ik in Nederland bedrijfskunde heb gestudeerd. Zowat anderhalfjaar geleden kreeg ik het verzoek van de overheid om een ontwerp van richtlijnen voor Nederlands te bekijken en te voorzien van commentaar. Tezamen met een Nederlandse collega heb ik dat ontwerp bestudeerd en aangepast. We hebben nooit meer wat vernomen van het Ministerie in Hannover en ik ben dus verbaasd om te horen dat daar nu toch weer nieuwe plannen liggen. Intussen hebben wij onze eigen richtlijnen ontwikkeld waarbij we rekening hebben gehouden met Nederlands als moedertaal in Duitsland en Nederlands als vreemde taal.
De heer Hülsdünker: Het is belangrijk dat hier een verband wordt gemaakt met Nederlands als moedertaal in het buitenland. Het zou dus goed zijn als wij op het terrein van het Nederlands als vreemde taal zouden samenwerken met de stichting die zich bezighoudt met het onderwijs aan Nederlanders in het buitenland1. De heer Kats: Wij hebben acht jaar geleden een enquête gehouden onder de bijna tweeduizend Nederlanders in Bremen en slechts twee mensen toonden belangstelling om Nederlands te gaan leren. Dat was een heel merkwaardige en teleurstellende ervaring voor ons. Nu gebeurt het omgekeerde: van Duitse zijde is er grote belangstelling voor het vak Nederlands. Mijn vraag aan de heren Bulhof en Hülsdünker is: is het mogelijk om wat vaker samen te werken opdat wij van eikaars ervaringen zouden kunnen profiteren. Jullie hebben een derde opleiding als vak voor leerkrachten gehad, wij hebben op het ogenblik een voorbereidende cursus voor mensen die dat zullen gaan doen. Zijn er ervaringen waarvan wij kunnen profiteren?
De voorzitter: Het gaat dus over de behoefte aan samenwerking, overleg op zijn minst, tussen instanties in Nedersaksen, in dit geval om Bremen en Oldenburg. Denkt u dat hier een taak ligt voor de Nederlandse Taalunie?
De heer Hülsdünker: Deze taak is te zien in het licht van de universitaire Neerlandistiek, waarover we het eigenlijk hier niet willen hebben omdat de conferentie het niet-universitair onderwijs Nederlands behandelt.
Ik denk bij voorbeeld dat het een heel goed idee is om in Bremen een soort basiscursus, opstapcursus voor de Neerlandistiek te geven. Als de studenten daar twee jaar Nederlands achter de rug hebben, kunnen zij hun opleiding in Oldenburg voltooien. Een dergelijk model bestaat al in Noordrijn-Westfalen in samenwerking met de universiteiten van Keulen en Bonn.
Ik zou nu graag het model Aurich even schetsen. Het model Aurich houdt in dat er in het kader van een niet-universitair instituut taalcursussen worden aangeboden. Deze taalcursussen werden destijds verzorgd door de volksuniversiteit. De leraren
Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (St. NOB).