Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 36

Het niet-universitair onderwijs Nederlands in de grensgebieden (Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Frans-Vlaanderen)

1992
116 pagina's

Het Eerste Staatsexamen bestaat uit:

a.           'Staatsexamensarbeit': een uitgebreide scriptie in één van de twee onder-wijsvakken. Hiervoor heeft de kandidaat vier maanden de tijd. Voor de omvang en het wetenschappelijk niveau gelden ongeveer dezelfde eisen als voor een 'Magisterarbeit'.

b.          'Klausuren': schriftelijke examens, per vak tweemaal vier uur en eenmaal vier uur voor pedagogiek. Voor Nederlands houdt dit in: een vertaling Duits-Nederlands en een essay in het Nederlands over een taal- of letterkundig onderwerp.

c.          het mondeling examen: bestaat uit veertig minuten in pedagogiek en zestig minuten per onderwijsvak. Vier tot vijf onderwerpen worden van tevoren met de examinerende docent afgesproken waarbij een evenredige verdeling van taal- en letterkundige onderwerpen gegarandeerd is. Het gesprek vindt plaats in het Nederlands.

Het feit dat de studenten hun hele examen schriftelijk en mondeling volledig in het Nederlands moeten doen, garandeert bovendien dat er niemand zonder een grondige kennis van de taal zijn onderwijsbevoegdheid kan halen.

Een kandidaat die voor alle onderdelen van het Eerste Staatsexamen geslaagd is, heeft daarmee bewezen dat hij wat taalvaardigheid en wetenschappelijke vakkennis betreft, goed is voorbereid op zijn toekomstige taak als leraar Nederlands. Hij kan dus met frisse moed beginnen aan de tweede fase, het 'Referendariat'.

4.1.3. Waarom Nederlands in Duitsland? L. Drüing

Noot van de redactie. De heer L. Drüing spreekt hier namens de heer K. Hennen, 'Landesbeauftragter' van de volkshogescholen in Noordrijn-Westfalen. Uit zijn lezing volgen hieronder de voor de conferentie van belang zijnde passages.

Waarom leren Duitsers Nederlands en wat willen zij met de verworven kennis beginnen? Met deze twee vragen wil ik mij in de volgende uiteenzetting bezighouden. Om u een indruk te geven van wat deelnemers of cursisten beweegt, zal ik u vertellen wat ik afgelopen dinsdag tijdens mijn les heb meegemaakt.

Marijke Verbeke - die vandaag ook onder ons is - bracht een bezoek aan onze school, het Freiherr-vom-Stein-Gymnasium in Recklinghausen. Mevrouw Verbeke is lerares Duits in Deinze (België) en was dus als gast op het 'Gymnasium' in het kader van een lerarenuitwisseling, georganiseerd door de 'Padagogische Austauschdienst' in Bonn. Zij ging ook mee naar Gelsenkirchen en ter inleiding had ik de cursisten gevraagd om zich voor te stellen en telkens aan te geven waarom zij Nederlands wilden leren.

Meteen volgde de eerste verrassing: een cursiste vertelde dat zij Nederlands leerde omdat zij elk jaar tijdens de zomer als maat op een boot op het IJselmeer werkte! Haar Nederlandse vriendin was namelijk eigenaar van die boot. Een volgende cursist ging vaak naar Nederland om te zeilen. Een andere cursist had er een huis gekocht. Weer een ander had kennissen in Nederland. Nog een andere bezat een vakantiehuis en zo ging het almaar door tot de laatste cursist aan de beurt kwam. Hij was zakenman en werkte bij een bedrijf dat nauw samenwerkte met gelijksoortige bedrijven in Nederland en België. Hij maakt meteen van de gelegenheid gebruik om

Nederlandse Taalunie