Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 36

Het niet-universitair onderwijs Nederlands in de grensgebieden (Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Frans-Vlaanderen)

1992
116 pagina's

Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand in het Buitenland (V.V.O.B.) en de Stichting Nederlands in het Buitenland (St. NOB) die de cursussen in Zuid-Wervik en Belle verzorgen. We menen dat ook de Nederlandse Taalunie in de toekomst het vrije initiatief zou kunnen ondersteunen en helpen bij het verder officiali-seren van het onderwijs Nederlands via besprekingen op het hoogste niveau, waarbij vooral wordt gedacht aan cursussen met eigen Frans-Vlaamse leraren. Het nadeel van de cursussen, opgezet door de V.V.O.B, en de St. NOB is immers dat momenteel alleen Vlaamse en Nederlandse leraren voor benoeming in aanmerking komen. De opleiding van Frans-Vlaamse leraren Nederlands met onderwijsbevoegdheid (C.A.P.E.S.) voor Frans-Vlaamse middelbare scholen is momenteel een heel belangrijke opdracht, noodzakelijk voor de verdere uitbreiding van officiële cursussen in die instellingen.

Inmiddels kunnen het Komitee voor Frans-Vlaanderen en eventueel ook de V.V.O.B. en de St. NOB samen met andere instellingen zoals de Kamers van Koophandel vooral cursussen voor volwassenen over het hele Frans-Vlaamse gebied opzetten en ondersteunen, zo mogelijk met leraren uit Frans-Vlaanderen zelf. Verder hopen we op een sterker ondersteunde bevoegdheid van inspecteur F. Persyn en we hopen ook dat de groeiende belangstelling voor het onderwijs van het Nederlands uiteindelijk zal resulteren in een groei van het aantal cursussen op universitair niveau en dan wellicht ook tot integratie van een aantal initiatieven in de 'bestaande structuren' waarover professor G. van de Louw heeft gesproken.

5.2. Discussie werkgroep Frans-Vlaanderen

Noot van de redactie. In het verslag zijn de voor de conferentie van belang zijnde passages opgenomen.

De voorzitter (de heer Van Passel): Wij gaan nu trachten uit de lezingen en uit onze eigen ervaringen een paar aanbevelingen te distilleren voor het verdere beleid van de Nederlandse Taalunie. Uit wat wij hier vanmorgen hebben gehoord zijn duidelijk een paar grote strekkingen naar voren gekomen. Men vindt dat er moet worden gewerkt aan de status van het Nederlands als vreemde taal in Frankrijk, de daaraan verbonden opleiding voor leraren, de vaste aanstellingen van leraren en de continue verantwoordelijkheid van leraren. Ook al behandelt deze conferentie het niet-uni-versitair onderwijs, toch moet het voor iedereen duidelijk zijn dat onderwijs, wil het gerespecteerd worden, moet worden verstrekt door personeel dat qua kwalificatie en qua stabiliteit van betrekking zijn verantwoordelijkheid ten volle kan opnemen om over de loop van de jaren een zekere continuïteit te garanderen. Dus als wij spreken over het statuut van het Nederlands als vreemde taal aan een universiteit, bij voorbeeld de Académie de Lille of welke instelling dan ook, dan heeft dat wel degelijk te maken met het onderwijs op lager niveau, op secundair niveau. Verder is hier vandaag aan bod gekomen het probleem van het moedertaalonderwijs van het Nederlands, van wat vroeger de voertaal in de regio van het noorden was. Beide benaderingen hoeven in geen enkel opzicht in eikaars vaarwater te zitten, want beide hebben het recht van bestaan. Onze inzichten zijn dezelfde: de bevordering, de verspreiding van het Nederlands en zijn cultuur in het buurland Frankrijk. Alleen onze motieven kunnen verschillen. Het is dus de bedoeling dat deze werkgroep tot een paar constructieve voorstellen komt voor het uitstippelen van een beleid ten opzichte van het Nederlands in Frankrijk. Dat is het uitgangspunt.

Nederlandse Taalunie