Van onbegrensd belang: de staat van het onderwijs Nederlands in Nederland en Vlaanderen
1992
96 pagina's
5 Samenvatting en aanbevelingen
In de voorafgaande hoofdstukken is een aantal belangrijke gegevens over het onderwijs van het Nederlands in Nederland en Vlaanderen bijeengebracht. Daarvan volgt nu eerst een samenvatting (5.1). De aldus samengevatte stand van zaken geeft aanleiding tot aanbevelingen aan de overheid en aan de Nederlandse Taalunie. Die aanbevelingen staan in 5.2.
Omdat onderwijskwaliteit altijd van meer dan één factor afhangt, is daar bij de formulering van de aanbevelingen rekening mee gehouden: ze hebben betrekking op diverse aspecten van het onderwijs Nederlands. Overigens moet ook sterk op continuïteit worden aangedrongen, omdat vernieuwing van enige omvang en complexiteit altijd veel tijd vergt.
5.1 Samenvatting
Net zoals bij de beschrijving van de doelstellingen in paragraaf 1.2 volgen we weer de gebruikelijke indeling van het vak Nederlands in taalvaardigheid, taalbeschouwing en literatuur. Binnen het eerste gebied passen we de even gebruikelijke indeling in spreken en luisteren, schrijven en lezen toe.
5.1.1 Taalvaardigheid
In hoofdstuk 2 kozen we voor het bepalen van de opbrengsten de twee volgende observatiemomenten: het laatste jaar van het basisonderwijs (Nederland en Vlaanderen) en het derde jaar van het voortgezet onderwijs (Nederland). Op een aantal deelgebieden blijken de gemeten opbrengsten lager te liggen dan belangrijke groepen in de maatschappij nodig achten. Het gaat daarbij in het bijzonder om de volgende onderdelen:
- het lezen van argumentatieve teksten
- het schrijven
- het spreken.
Bij luisteren laat het gehanteerde peilingsinstrument geen duidelijk onbevredigende opbrengsten zien. Toch dient dat onderdeel in de belangstelling te blijven van al wie bij het onderzoek, de ontwikkeling en het onderwijs zelf betrokken is: de gebruikte leermiddelen besteden er maar weinig of zelfs helemaal geen aandacht aan (zie onder).
Over discussievaardigheid staan geen opbrengstgegevens ter beschikking, omdat dit onderdeel vooralsnog buiten de optiek van de onderzoekers is gebleven.
De aangeduide tekorten verdienen grote aandacht, en wel om twee redenen. Vooreerst dienen Nederland en Vlaanderen in taalcommunicatief opzicht hoog ontwikkelde samenlevingen te zijn, die zich in het toekomstige Verenigde Europa bovendien goed dienen te profileren (zie par. 1.1). In de tweede plaats heeft het on-