Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
VERANDERINGEN IN DE RELATIE ONDERZOEK -
BELEID
PAUL MM. VAN OIJEN
plaatsvervangend directeur Toekomstverkenningen en coördinator Beleidsgericht Onderzoek, Directoraat-generaal voor het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Zoeter-meer
1. Inleiding
'Het probleem zal nader worden onderzocht', is vaak een tijdelijke uitweg gebleken voor een bewindspersoon die in de verste verte niet wist wat hij met het probleem aan moest. Alhoewel een dergelijke situatie zich nog steeds voordoet, is dit traditionele beeld van beleidsonderzoek al langer aan veranderingen onderhevig. Al sinds enige decennia doet het beleid op grotere schaal een beroep op extern-wetenschappelijk onderzoek, zowel van technische als van natuur- of sociaal-wetenschappelijke aard. Deze vorm van externe kennisverwerving voor het beleid kent, ondanks toegenomen ervaringen van betrokken opdrachtgevers en onderzoekers, nog tal van problemen. De bekendste daaronder zijn:
- de onderzoeker wordt geconfronteerd met een onduidelijke vraagstelling;
- bij opleveren van het resultaat is het beleid al een of enkele stadia verder;
- het rapport verdwijnt in de la;
- onderzoek wordt oneigenlijk gebruikt.
Daar staan echter eveneens geslaagde voorbeelden van onderzoeken tegenover die effectief in beleidsvorming zijn gebruikt.
Deze bijdrage aan de studiedag 'Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk' geeft een beeld van het onderwijsonderzoek vanuit beleidsperspectief. Achtereenvolgens komen aan de orde:
- feitelijke gegevens over de omvang van het onderwijsonderzoek;
- een analyse van het aansluitingsprobleem tussen onderzoek en beleid;
- een toespitsing op het onderwijsonderzoek;
- verwachtingen over het onderwijsonderzoek in de negentiger jaren.
2. De (relatieve) omvang van het onderwijsonderzoek
Bij verduidelijking van de omvang van onderzoeksmiddelen voor een beleidsterrein zijn er twee referentiekaders van direct belang: algemene uitgaven van de overheid voor opdrachtonderzoek en een vergelijking met andere landen van een overeenkomstig welvaartsniveau.
Het onderwijsonderzoek wordt hier gerekend tot het derde geldstroom sociaal-wetenschappelijk onderzoek, afkomstig van de Nederlandse departementen. De tweede geldstroom betreft de NWO/ZWO-projectsubsidies en de eerste geldstroom middelen voor onderzoek maken deel uit van de lumpsum die universiteiten ontvangen.