Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 40

Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's

TRANSFER VANUIT ONDERZOEK NAAR

ONDERWIJSPRAKTIJK

JOKLOPROGGE

coördinator landelijke evaluatie onderwijsvoorrangsbeleid,

Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs SVO, Den Haag

In Nederland is altijd sterk benadrukt dat het onderwijsonderzoek, zeker dat in de SVO-lijn, in belangrijke mate dienstbaar moet zijn aan de onderwijspraktijk en het onderwijsbeleid. In 1976 werd door een motie in de Tweede Kamer hierop aangedrongen, hetgeen later leidde tot een aanpassing van de SVO-statuten. Deze statutenwijziging beïnvloedde op zich weer de inhoud van de wetgeving op de onderwijsverzorging, waarin SVO - en dus een groot deel van het onderwijsonderzoek - is ingebed. Deze formele opdracht aan het onderwijsonderzoek - om dienstbaar te zijn aan praktijk en beleid - werd uitermate serieus genomen. Dit moge blijken uit de invloed van onderwijsorganisaties bij het bepalen van de onderwerpen waarnaar onderzoek wordt uitgevoerd, de opzet van het tijdschrift Didaktief en diverse andere pogingen om de relatie tussen onderzoek en de onderwijspraktijk te verbeteren. Niettemin is de afstand tussen onderzoek en praktijk hierdoor slechts gedeeltelijk overbrugd. Een belangrijke reden hiervan is dat dezelfde regelgeving die van het onderzoek dienstbaarheid vroeg, ook afstand schiep tussen onderzoek en praktijk. Directe relaties met scholen zijn voorbehouden aan begeleidingsdiensten, de landelijke pedagogische centra en lerarenopleidingen. Zij worden geacht de inzichten of andersoortige impulsen uit het onderzoek op te vangen en door te geleiden naar de leerkracht. Ambtenaren ten departemente bedachten jaren geleden voor dit model een fraaie naam. Het is het model van de geperforeerde uieschil. De verschillende instellingen zijn rond de kern (i.c. de school), in verschillende lagen gegroepeerd. Het onderzoek is te zien als de buitenste laag. De perforaties zorgen ervoor dat vanuit de buitenste laag geleidelijk sappen doorsijpelen naar de binnengelegen lagen en zo naar de kern. Waarschijnlijk hoopte men dat alleen de smakelijkste sappen hun weg zouden vinden en dat in het sijpelproces de minder goede sappen onderweg zouden blijven steken. Of het nu ligt aan de grootte van de perforaties, aan de kwaliteit van de schillen, aan het zuurgehalte van de sappen of aan het feit dat het model op zich niet voldoende deugt, er is naar mijn mening weinig reden om al te optimistisch te zijn over de werking. Je kunt niet zeggen dat het model helemaal niet werkt, maar wel langzaam en met storingen. Zonder daar uitvoerig op in te gaan wil ik enkele eenvoudige redenen noemen waarom de relatie onderzoek praktijk via een dergelijk model zo moeilijk te verbeteren is.

Allereerst blijkt dat leerkrachten weinig lezen. Als ze stukjes over onderwijs lezen zijn dat stukjes in de krant. Ook de grote hoeveelheid onderwijstijdschriften die vaak in begrijpelijke taal over onderzoeksresultaten publiceren, kunnen dit euvel niet verhelpen. Waar er dus wordt geprobeerd - niet alle onderzoek hoeft direct van belang te zijn voor de praktijk - de in onderzoeken verkregen inzichten via schriftelijke informatie bij de leerkracht te brengen, is het bereik van de inspanningen beperkt. Ten tweede is onderzoek zelden toegesneden op de concrete vraag waarmee een leerkracht of begeleider op een bepaald moment worstelt. En als er toegesneden onderzoek is, weet men dit vaak niet te vinden. Om bruikbaar te zijn voor leerkrachten

Nederlandse Taalunie