Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
COMMENTAAR op de bijdragen van A.C. van Kampen en J. Kloprogge
G. TEGENBOS journalist
Ik ben geen onderwijsdeskundige, ik ben geen onderzoeker en ook geen beleidsverantwoordelijke. Wat doe ik dan hier? Ik heb het mij afgevraagd. Ondanks de lovende woorden van de voorzitter zit ik nog een beetje met die vraag. Ik ben alleen maar een waarnemer vanop relatief verre afstand van het onderwijsgebeuren, hoofdzakelijk in Vlaanderen. Ik heb mij vanochtend de bedenking gemaakt dat ik een slecht waarnemer ben van het Nederlands onderwijsgebeuren. Dit is een vaststelling voor mezelf die ik terloops aan u meedeel. Waarom heeft men mij dan gevraagd om deze twee bijzondere deskundigen en naar mijn gevoel ook geëngageerde uiteenzettingen te becommentariëren. Ik vond maar één redelijke verklaring en die verklaring ligt in mijn slecht karakter; dat het waarschijnlijk nodig is iemand met een karakter als het mijne nu in te schakelen om de middagziekte te bestrijden. Mogelijkerwijs is er een tweede verklaring, dat is een meer wetenschappelijke, en laat ons die ook maar aannemen. Dat is de verklaring dat leerkrachten blijkbaar veel meer vernemen over onderwijsonderzoek via de krant dan via andere kanalen. Even terloops geef ik u toe dat dit voor mij nieuws is, ik wist het niet en deze vaststelling heeft tot heden mijn handelen dan ook nog niet gestuurd.
Ik ben een waarnemer van het onderwijsgebeuren in Vlaanderen en van een aantal andere sectoren. Ik beschouw mijn rol als het uitlokken van een aantal vragen bij u over door mij zeer gewaardeerde uiteenzettingen en ik ga ook proberen de band te maken met enkele andere sectoren die ik beroepshalve ook probeer waar te nemen.
Mevrouw Van Kampen pleitte voor een decentrale invulling van het onderwijsvoorrangsbeleid. Ze gaat daarbij uit van de vaststelling dat het mobiliseren van krachten om verandering teweeg te brengen best gebeurt op een decentraal of een mesoniveau en dat leidt haar tot de stelling, dat het ook de voorkeur verdient een aanzienlijk deel van de onderzoekskredieten op regionaal, op decentraal, of op mesoniveau ter beschikking te stellen. Ik denk dat dit een belangrijke en vrij correcte stelling is. Trouwens haaf mijn gevoelen wordt er inderdaad"beleid gevoerd op dat meso- of dat decentrale niveau; een beleid dat niet gebaseerd is op probleemdetecterend, pro-bleembeschrijvend onderzoek en dat zichzelf niet laat evalueren door evaluerend onderzoek, kan niet anders dan tekortschieten.
Ik noem de twee of drie onderzoekssoorten probleemdetecterend, probleembeschrij-vend en maatregelen- of beleidevaluerend onderzoek. Dus naar mijn gevoel een on-derzoeksniveau dat vandaag weinig besproken is, dat is wat ik in mijn niet wetenschappelijke taal het 'hoe'-onderzoek noem, het onderwijstechnologisch onderzoek. Zolang het onderzoeksbeleid teveel op centraal niveau wordt bepaald komt het hoe-onderzoek in de verdrukking, terwijl precies dat onderzoek tot echte veranderingen zal leiden. Alleen door onderzoeksbeleid te laten sturen op mesoniveau kan dit hoe-nnderzoek heter aan hod komen.