Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
DISCUSSIES BIJ DE VOORDRACHTEN (2)
Door mevr. A. van Kampen werd gesteld, en door de heer Tegenbos beaamd, dat beleid het best decentraal kan plaatsvinden. Dientengevolge zou wellicht ook de onderzoeksvraag het best decentraal gesteld worden. De vraag is of je daarmee alle relevante onderzoeksvragen dekt en niet het risico loopt op onnodige herhaling van hetzelfde onderzoek in verschillende regio's. Van Kampen repliceert dat zij ook heeft aangegeven dat er wel degelijk een plaats overblijft voor onderzoek op landelijk niveau. Er moet wel duidelijk een scheiding gemaakt worden waar lokaal onderzoek nodig is en waar onderzoek beter landelijk gebeurt, met bovendien een zodanige vorm van overleg en samenwerking dat wanneer op hetzelfde moment een lokale vraag uit Amsterdam en Den Haag komt, er een koppeling kan volgen en men kan profiteren van eikaars werk.
Tegenover het transferpunt als een soort hiƫrarchisch systeem stelde Tegenbos de mogelijkheid van een netwerk. De reactie van de heer J. Kloprogge is dat het onterecht zou zijn het transferpunt hiƫrarchisch te noemen, maar dat er van een echt netwerk inderdaad nog geen sprake is. De ontwikkeling gebeurt stap voor stap en met voortdurende evaluatie van de voortgang. Zo wordt betreffende de drugrap-portages herhaaldelijk gevraagd om er meer scholen bij te betrekken; de vraag wordt dan hoe men op de scholen met de gegevens kan omgaan en het antwoord ligt niet zonder meer voor de hand. Het netwerksysteem is een idee waar men alert moet voor blijven, ook als men kijkt naar hoe dat functioneert in het bedrijfsleven; men moet echter voorzichtig evolueren, omdat zoveel punten tegelijk aangepakt moeten worden dat men het zicht op waar men staat dreigt te verliezen.
Ten aanzien van Tegenbos' beschouwingen omtrent de omvang van onderzoekskre-dieten wordt vastgesteld dat de situatie wellicht ook in Nederland niet optimaal is, doch in Vlaanderen volstrekt onder de maat. Het is echter moeilijk een norm te bepalen. Als voorbeeld kan naar voor gebracht worden dat bijvoorbeeld Siemens meer aan onderzoek uitgeeft dan heel Nederland. Heel wat bedrijven hebben onderzoeksbudgetten boven de 10%, maar daar staat tegenover dat het reklamebudget vaak 30% is. Wat is in zo'n geval de beoordelingsmaatstaf?
Bij de mededelingen van de heer Kloprogge over de lage respons voor deelname aan onderzoek, wordt aangesloten met de stelling dat de onderzoeksvragen dichter naar de praktijk gebracht moeten worden, zodat gebruikers merken dat het onderzoek iets ten goede verandert.
De lage respons wordt door Kloprogge gerelativeerd, waarbij bovendien gewezen wordt op het belang van een goede relatie met het veld. Men kan dan veel meer bereiken dan wanneer men alleen maar vragenlijsten rondstuurt en wacht wat er binnenkomt; het 'nee' zeggen wordt in dat laatste geval al snel een gewoonte. Wat de praktijkhulp betreft merkt Kloprogge op dat de situatie vrij goed in kaart gebracht is; hiermee moet doorgegaan worden omdat men de ontwikkelingen moet kunnen volgen. Je komt echter pas echt verder als er scholen zijn die anders gaan werken; onderzoekers kunnen dat niet alleen bewerkstelligen, leerkrachten vaak