Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 40

Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's

WETENSCHAPSVOORLICHTING:

ENKELE KANTTEKENINGEN

MARCEL DE CLEENE,

lector en wetenschapsvoorlichter Universiteit Gent

Eeuwenlang kon iedere handige persoon zelf onderzoekertje spelen, mits hij maar over de nodige dosis nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en minimale middelen beschikte. Een schoolvoorbeeld uit onze Lage landen is zeker Antonie Van Leeuwenhoek (1632-1723). Deze getalenteerde opticien had een minuscuul lenzen-stel ontwikkeld (nu Leeuwenhoek-microscoop genoemd) dat nauwelijks enkele tientallen keren kon vergroten. Dit toestelletje liet hem nochtans toe om uiterst belangrijke ontdekkingen te doen op het gebied van de microbiologie: bacteriën, infusoriën, spermatozoïden (1677). Haarvaten, dwarsstreping van spiercellen en vele histolo-gische bijzonderheden uit de planten- en dierenwereld werden door hem voor de eerste maal gezien en beschreven. Hij werd in 1680 trouwens lid van de eerbiedwaardige Royal Society te Londen. Andere voorbeelden van eenvoudige, maar belangrijke ontdekkingen en ontwikkelingen zijn legio.

Vandaag de dag is de toestand echter helemaal anders. De meet- en experimenteertoestellen zijn vaak zo ontzettend gesofisticeerd en ingewikkeld dat ze niet alleen erg kostbaar, maar bovendien moeilijk te gebruiken zijn. Het duurt bijvoorbeeld minstens een vol jaar vooraleer men de techniek van een elektronenmicroscoop onder de knie heeft. Bovendien zijn de wetenschappelijke criteria zo drastisch verscherpt, dat een opleiding aan één of andere hogeschool absoluut noodzakelijk is om degelijk onderzoek te kunnen doen. Om die reden vervreemdt de wetenschap meer en meer van het leven van alle dag. Een andere factor die deze kloof tussen de wetenschappelijke - en de gewone wereld nog groter maakt is de manier waarop een wetenschapper zijn omgeving moet zien; die wijkt soms sterk af van hetgeen in de rest van de samenleving als normaal wordt beschouwd.

Hoog abstractievermogen

Een eerste voorwaarde om aan modern onderzoek te doen is het ontwikkelen van een hoog abstractievermogen. Een onderzoeker bestudeert alleen fenomenen die zijn losgemaakt uit het leven van elke dag, maar in werkelijkheid hangt alles aan elkaar. Een scheikundige reactie bijvoorbeeld is niet los te makenjvan_de; omringende (en.indrinr gende) fysische reacties. Zo ook is het kiesgedrag van mensen niet los te denken van andere socio-culturele gedragingen. Een psycholoog zou zich best de volgende vraag kunnen stellen: "Wat zou het gedrag van deze persoon zijn in die bepaalde omstandigheden, indien de invloed van zijn opvoeding, generatie, en sociaal milieu zou zijn uitgeschakeld?". Dergelijke vraag komt bij de leek over als puur academisch of kan zelfs als absurd van de hand worden gedaan. Nochtans zou ze best kunnen gesteld worden door een nuchter en realistisch onderzoeker die met zijn beide benen in het volle leven staat. Een goed onderzoeker moet dus eigenlijk wel wat "schizofrenoïde" eigenschappen hebben om tegelijk abstract wetenschappelijk te kunnen denken, en ook nog normaal in de maatschappij te functioneren. Toegegeven, niet alle onderzoekers voldoen aan dit criterium en het is precies deze minderheid die de kari-

Nederlandse Taalunie