Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
COMMENTAAR op de bijdragen van M. De Cleene en R. Vandenberghe e.a.
TH. CAPEL
directeur Schoolbegeleidingsdienst Regio Delft
We hebben het in het laatste deel van de middag over de verbinding tussen de onderzoeker aan de ene kant en de praktijk aan de andere kant. Ik wil naar aanleiding van de bijdrage van de heren De Cleene en Vandenberghe op drie zaken ingaan. Ik ben zelf directeur van een schoolbegeleidingsdienst. Onze dienst adviseert het onderwijs over de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs, de problemen die mensen in het basisonderwijs met hun dagelijks werk ondervinden. Wij moeten dus heel duidelijk luisteren naar wat die mensen die voor de klas staan aan problemen hebben en daar op inspelen. Wij zien onszelf als experts of als professionals of als adviseurs.
Een van de moeilijke dingen van ons vak is dat we een keuze moeten maken uit een ontzettende rijkdom van kennis die achter ons ligt en over ons heen komt. Wil die adviseur zijn werk goed blijven doen dan zal hij op een of andere manier uit zichzelf moeten blijven vinden dat hij dat nog niet voldoende weet en dat hij dat moet opzoeken. Dat doen ook de meeste adviseurs goed en die willen dat ook goed doen. Die voelen dat ook als een noodzaak, die voelen dat ook soms als een zekere angst omdat ze zien welk groot reservoir van kennis voor hun ter beschikking staat. Waar ze niet aan denken is dat veel kennis die op hen gericht is ook via een omweg vaak bij het grote publiek terecht komt. Voorbeelden hiervan in het onderwijs zijn problemen met dyslexie, de opvang van geestelijke gehandicapten in het basisonderwijs. Dat zijn dan van die zaken waarbij meteen vragen uit het grote publiek naar voor komen, soms wel vragen waar met hulp van kennis en onderzoek absoluut geen antwoord op te geven is, omdat dat niet beschikbaar is. Maar die professional moet dus zeker in de gaten houden dat hij niet alleen zelf verantwoordelijk is voor het in stand houden van zijn kennis maar dat hij tegelijkertijd ook heel goed moet in de gaten houden dat het publiek zich ook informeert over zaken waar het mee te maken heeft.
Het tweede betreft de vraag: waar haalt de professional zijn kennis: vajidaan.. Opvallend vond Ik zelf dat mensen zeggen dat die professional vaak zijn kennis niet haalt daar waar hij het eigenlijk beter vandaan zou kunnen halen, nl. rechtstreeks uit de bron of een bewerkte bron in vorm van een databank of in tijdschriften of al dat soort dingen. Ik vind het een van de essentiƫle dingen dat het kennispeil op niveau blijft. De manier waarop de kennis in een organisatie binnenkomt behoort een kenmerk te zijn van de organisatie en niet een neiging of een gewoonte van de personen. Ik hoop dat, vooral in het tijdperk van de computer, men er vanop organisatieniveau voor zorgt dat die kennis ook wat beter beschikbaar blijft.
Derde punt is dat ik in de lezingen vooral van de heer Vandenberghe en zijn medewerkers teveel het conceptuele kader, wat je aangereikt krijgt als onderzoeker of