Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
DISCUSSIES BIJ DE VOORDRACHTEN (3)
Reagerend op de heer Th. Capel geeft de heer M. De Cleene toe dat ook professionals op het spoor kunnen komen van relevante informatie langs vulgariserende artikels, bijvoorbeeld in kranten. Op dit niveau vervult de informatie echter nog maar een signaalfunctie, die door de professional met directe bronnen (vakliteratuur, databanken) gecontroleerd moet worden. Anders is het gesteld met leraars die inzake toegankelijkheid (ook op grond van de kosten) minder kansen hebben en dus meer aan vulgariserend materiaal overgeleverd zijn. Voor de toekomst blijft De Cleene vrezen dat bijvoorbeeld databanken overwegend toegankelijk zullen blijven voor diegenen die het kunnen betalen; hij hoopt dat de overheid de nodige maatregelen blijft nemen om de informatiestroom te laten terechtkomen waar dat moet, m.n. als publiek goed.
Naar aanleiding van de opmerkingen van Capel over de grote nadruk op het conceptueel kader in de toelichtingen van de heer Vandenberghe, antwoordt deze dat wie dan ook altijd werkt vanuit een bepaald idee over de realiteit, doorheen een bepaalde bril. Men kan de betrokkene helpen om de bril bij te stellen, er bijvoorbeeld andere lenzen in plaatsen, zodat dezelfde realiteit anders kan bekeken worden. Het is duidelijk dat dit anders kijken één van de mogelijkheden vormt om tot gedragsveranderingen te komen. Gedragsveranderingen gebeuren echter langzaam.
Aansluitend bij de opmerking dat het voor begeleiders goed zou zijn om af en toe tijdelijk de rol van onderzoeker te vervullen, stelt Vandenberghe de vraag of dissemi-natie van onderzoeksresultaten in leesbare vorm en met mooie presentatie wel het hoofdprobleem is. Hij voelt meer voor een interpretatie van disseminatie als het professionaliseren van diegenen die met onderzoeksresultaten moeten werken. Dat is een heel andere problematiek dan de presentatie van gegevens. Het gaat erom resultaten beschikbaar te stellen in termen van de handelingsbekwaamheid van de gebruiker.
Door een deelnemer wordt, met waardering voor het onderzoek van Vandenberghe, opgemerkt dat de participanten die hij voor de praktijk heeft laten getuigen geen leraren doch begeleiders zijn. Hij stelt de vraag of dezelfde vragen bij leraren dezelfde of vergelijkbare antwoorden zouden opgeleverd hebben. Of is het zo dat resultaten - zo-moeilijk-reehtstreeksovergebraehtkunnen worden naar dederaars"-g~eb~MkeTs"daT een intermediaire rol vanwege de begeleiding absoluut nodig is? Vandenberghe repliceert dat de vraag tegelijk gemakkelijk en moeilijk te beantwoorden is. Gemakkelijk, omdat het onderzoek waarvan sprake betrekking heeft over het functioneren van scholen als geheel, over schoolvemieuwing, niet over wat leraren in klassen doen. De resultaten houden dus niet direct verband met het gedrag van leraren. De vraag is echter in meer algemene zin moeilijk te beantwoorden. Vandenberghe stelt dat het onderwijskundig onderzoek er traditioneel van uitgaat dat leraren 'passieve gebruikers' zijn; dit leidt, eenvoudig gesteld, nogal eens tot de veronderstelling dat vernieuwing mogelijk is op grond van een goede uitgangsidee die uitgewerkt wordt in een pakket dat dan aan de gebruiker aangeboden wordt. De gebruiker verwacht gesneden brood, zo zegt men. Ze vragen volaens Vandenberghe in-