Onderwijsonderzoek voor beleid en praktijk
Redactie: C.M. Bouma, M.M.A.J. Goemans.
1993
112 pagina's
SLOTCONCLUSIES
drA.D. WOLFF-ALBERS,
dagvoorzitter; raadslid van de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (WRR)
De voorzitter begint haar conclusies met een compliment en dank aan diegenen die het thema van deze studiedag gekozen hebben en aan de heren Heene en Kloprogge en de dames Goemans en Roosens die hem concreet voorbereid hebben. Het thema bleek niet alleen op papier goed, doch werd ook in de praktijk van deze dag goed behandeld; de bijdragen waren 'to the point' en gaven iets weer van de bloedwarmte van waaruit ieder zijn werk doet.
Het thema was 'Onderzoek voor beleid en praktijk' en de intentie van de programmacommissie werd doorheen de bijdragen zichtbaar. Hoe kan je die relatie dynamischer maken, dat ze meer inhoudt, meer tot contact kan leiden? Dat dit beter kan, daarover is iedereen het wel eens. De sprekers hebben aan de hand van een aantal kapstokken zeer interessante bijdragen geleverd. Wat levert onderzoek op, hoe bepaal je de behoefte aan onderzoek, hoe bereik je dat onderzoek ook echt gebruikswaarde heeft en gebruikt wordt?
Het beeld dat uit Vlaanderen komt is - vluchtig en fragmentarisch geschetst - dat onderzoek, zoals de heer Vercruysse weergaf, zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, ook in zijn eigen waarde wordt gelaten, maar dat wel te constateren is dat meer coördinatie de totale opbrengst ten goede zou komen. Vanuit de opdrachtgever, zegt Vercruysse, is meer te verbeteren. Het stellen van onderzoeksprioriteiten lijkt niet altijd even rationeel te gebeuren. De selectie van onderzoeksgroepen moet misschien wat meer op objectieve basis en de evaluatie van projecten ontbreekt vaak. In al die opzichten zou het beter moeten. De voorzitter noemt het een goed teken dat men zo 'in eigen boezem kan kijken' en daar met zoveel zelfvertrouwen verslag kan over doen.
Het rendement van onderzoek, zegt en demonstreert Vandenberghe, verhoogt door er praktijkmensen bij te betrekken. Dat moet meer en kan ook best. Door zijn on-derzoekspartners zijn heel wat interessante suggesties gedaan. De voorzitter vond met name de suggestie van eens van rol te verwisselen en eens in elkaars wereld te kijken van grote waarde.
Een andere suggestie die uit het Vlaamse komt en in Nederland op heel vruchtbare T«xlëln ValtTsTïëTihltëTS^^ Ook Nederland is daar
mee bezig, het blijkt tot goede resultaten te leiden en een heel levensvatbare activiteit te zijn.
Het beeld uit Nederland, zoals bijvoorbeeld van Oijen dat geeft, toont ontwikkelingen als het meer afstand nemen van de overheid, helaas ook het bezuinigen door de overheid. Men moet hopen dat de relatie tussen afstand en bezuinigen niet al te strikt bedoeld zal zijn. Lokale overheden krijgen meer verantwoordelijkheid, scholen worden autonomer en wat interessant lijkt voor de toekomst is hoe dit zich verder ontwikkelt, hoe de positie van lokale overheid ten aanzien van scholen zal worden. Worden scholen werkelijk autonoom in die situatie?