Het Nederlands in de niet-taalvakken
Redactie: René Appel
1993
172 pagina's
5 Zo kan meneer Van Dale nog vaak lang blijven
wachten;
Enkele ideeën over taalgebruik en wiskundeonderwijs
Bart Vandenberghe
Vrije Universiteit Brussel Centrum Leo Apostel
Inleiding1
Waarom hebben zoveel leerlingen zulke moeilijkheden met wiskunde? Waarom volgen velen de lessen met weinig echte interesse of soms zelfs tegenzin? Een afgerond antwoord op deze vragen hoeft u hier niet te verwachten. Wel willen we proberen enkele specifiek taalkundige oorzaken aan te stippen die een belangrijke rol kunnen spelen. In het eerste deel van de tekst verduidelijken we dit aan de hand van een analyse van de verwerking van klassieke woordproblemen. Hieronder verstaan we wiskundige problemen die grotendeels of helemaal in natuurlijke taal gepresenteerd worden2. De term 'vraagstuk' gebruiken we gemakshalve als een synoniem ervan. In het tweede deel doen we een aantal voorstellen ter remediering. De gegevens die volgen, zijn niet het resultaat van persoonlijk experimenteel onderzoek, wel een synthese van bestaande research.
1 Taalproblemen als oorzaak van woordproblemen
Woordproblemen blijken voor heel wat moeilijkheden te zorgen op alle onderwijsniveaus. Neem nu het volgende vraagstuk:
1 Op een bepaalde universiteit zijn er zesmaal zoveel studenten
als professoren. Schrijf de vergelijking. Gebruik S voor het
aantal studenten, P voor het aantal professoren.
Wat maakt u er zelf van? Neem even de tijd en schrijf de vergelijking op. Waarom we u met zoiets eenvoudigs lastig vallen? Uit onderzoek3 blijkt dat merkwaardig veel mensen een verkeerde oplossing geven. Meestal schrijven ze: 6S = P, in plaats van:.6P = S. Van de geteste eerstejaarsstudenten ingenieurswetenschappen maakte 37% een fout; 68% van hen beging de 'omkeringsfout'. Bij de studenten die geen exacte wetenschappen als hoofdvak hadden, bedroeg het aantal onjuiste oplossingen 57%. Leerkrachten en professoren bleken evenmin immuun. Ongeveer 46% van de onderzochte leerkrachten uit het middelbaar onderwijs en 40% van de professoren vergiste zich. Onder professoren in de fysica, scheikunde, wiskunde en ingenieurswetenschappen bedroeg het percentage nog altijd 14%, onder leerkrachten natuurkunde uit het middelbaar onderwijs 39%.
Hoe komt het dat een ogenschijnlijk zo simpel woordprobleem voor zoveel ellende zorgt? Waarom krimpen sommige leerlingen zelfs angstig of in paniek ineen zodra