Het Nederlands in de niet-taalvakken
Redactie: René Appel
1993
172 pagina's
1 Het Nederlands in de niet-taalvakken;
Inleiding
René Appel
Vakgroep Algemene Taalwetenschap
Universiteit van Amsterdam
Scholen zijn over het algemeen 'taalscholen'. 'Taal' is een belangrijk, zo niet het belangrijkste vak, en taal is het medium bij uitstek voor het overdragen van informatie in andere vakken. In boeken wordt veel gebruik gemaakt van taal, docenten leggen uit, en scholieren moeten van hun kennis, inzichten en vaardigheden veelal weer getuigenis afleggen in taal. Ook in een vak als 'rekenen' speelt taal, naast het rekenkundige symboolsysteem, een belangrijke rol. Problemen, oplossingsmethoden en resultaten worden in veel gevallen in taal gepresenteerd.
In het alledaagse bestaan worden mensen al vaak geconfronteerd met het feit dat taal situatiespecifiek is, c.q. dat er een nauwe relatie kan zijn tussen onderwerp en vormen van taalgebruik. Wie iemand hoort zeggen 'In de tweede game van de derde set werd Agassi zelf gebroken' kan slechts tot een correcte interpretatie komen als hij/zij iets van tennis weet en de termen game, set en gebroken kan interpreteren. Met andere woorden: in het betreffende zinnetje is er sprake van een bepaald soort jargon, in dit geval tennisjargon. Woorden als game en set horen duidelijk bij het tennis, net zoals bij sommige andere sporten, terwijl een woord als breken, naast de betekenissen die het in het 'gewone leven' al heeft, er een nieuwe betekenis bij heeft gekregen.
Ook in het onderwijs worden veel woorden gebruikt die bij bepaalde vakken horen. Wat leerlingen buiten de school bijvoorbeeld een rondje noemen, moeten ze in de klas aanduiden met het woord cirkel. Daarnaast moeten ze een groot aantal nieuwe woorden leren voor nieuwe verschijnselen of concepten, die bij bepaalde vakinhouden horen: in het alledaags bestaan wordt een woord als staartdeling niet gebruikt. Een ander voorbeeld uit het rekenonderwijs maakt duidelijk dat leerlingen soms ook bij woorden die ze al kennen een nieuwe betekenis moeten leren, zoals bij breuk.
Deze voorbeelden suggereren dat taalgebruik op school zich vooral - of misschien zelfs alleen maar - onderscheidt van alledaags taalgebruik op het niveau van de woordenschat. Dat is echter niet juist. Taalgebruik op school verschilt ook van alledaags taalgebruik op andere linguïstische niveaus, met name op dat van dis-course en tekst. Het is hier niet de plaats om deze bewering toe te lichten, maar in verschillende artikelen in deze bundel - m.n. die van Vandenberghe & Verkimpe, en Rymenans & Geudens - zijn daar diverse voorbeelden van te vinden. Als we het hebben over het taalgebruik op school, gaat het in feite om het gehele didactische vertoog.
Taal(gebruik) vervult een wezenlijke functie in het verwerven van kennis. Die kennisverwerving vindt voor een groot deel plaats middels verbale interactie tussen leerkracht en leerlingen, en tussen leerlingen onderling. Als die interactie niet ade-